1.4 Hoe komt het? Cognitieve theorieën over autisme (de binnenkant)

Personen met ASS nemen de wereld op een andere manier waar. Ze worden als het ware overspoeld door prikkels. Omwille van hun andere hersenwerking gaan ze die waargenomen prikkels en informatie anders selecteren en verwerken, met vaak ‘vreemd’ gedrag tot gevolg.

Deze andere waarnemings- en verwerkingsstijl noemen we het ‘autistisch denken’. De drie gangbare cognitieve theorieën over autistisch denken worden hieronder kort geschetst. Geen van de drie verklaart alle ASS-kenmerken, maar ieder werpt vanuit een andere hoek licht op een aantal kenmerken die we onder autisme groeperen. Als leerkracht/stagebegeleider en werkgever krijgt u hiermee op een eenvoudige manier geformuleerd hoe een persoon met ASS betekenis geeft aan zijn omgeving en de impulsen die hem tegemoetkomen.

1.4.1 Theory of Mind (TOM)

Deze theorie (Frith, 1989) gaat ervan uit dat voor interactie het besef nodig is dat mensen andere gevoelens en gedachten kunnen hebben dan jij: het aangeboren vermogen om je in te leven in de gedachten en gevoelens van anderen en die in verband brengen met het gedrag dat anderen (zullen) vertonen. Bij de persoon met ASS ontbreekt dit inlevingsvermogen, waardoor hij niet of ongepast reageert op signalen uit zijn omgeving. Dit fenomeen wordt ook ‘mind blindness’ genoemd.

Met name op school wordt aan dit aspect veel aandacht besteed, gezien het enorme belang van inleving en aanvoelen in de dagelijkse interactie met medeleerlingen en leerkrachten, en later met collega’s en werkgevers.

1.4.2 Theorie van de Executieve Functies (EF)

Deze theorie (Pennington en Ozonoff, 1996) vertrekt van onze zgn. executieve functies. Die zorgen ervoor dat we niet automatisch reageren op iedere prikkel uit onze omgeving en dus niet volledig gestuurd en beheerst worden door omgevingsinvloeden. De executieve functies stellen ons in staat om probleemoplossend te denken. Voorbeelden zijn plannen, anticiperen, organiseren, bijsturen.

De executieve functies stellen ons in staat om voor een bepaald probleem de geschikte oplossingsstrategie te kiezen, die uit te voeren en te evalueren en daarbij ongepaste reacties te onderdrukken. Executieve functies spelen een belangrijke rol bij impulscontrole, planningsgedrag, georganiseerd zoeken en flexibiliteit.

De persoon met ASS moet voor deze mentale flexibiliteit veel meer moeite doen (bv. bij een verandering van opdracht in de klas of op de werkvloer). Hij is vaak niet in staat om een in gang gezet denkpatroon los te laten en over te schakelen naar een nieuw denkpatroon dat past bij de nieuwe vereisten van de veranderde situatie. Hij kan zijn concentratie niet flexibel van het ene naar het andere punt verleggen of op verschillende zaken tegelijk richten.

1.4.3 Theorie van de Centrale Coherentie (CC)

Deze theorie (Frith, 1989) stelt dat het verwerken en vooral integreren van informatie een essentiële voorwaarde is voor ons dagelijks functioneren. Wij hebben het vermogen om overeenkomsten in dingen en situaties te zien en verworven inzichten toe te passen in nieuwe situaties. Personen met ASS ontwikkelen dit aangeboren vermogen niet vanzelf.

Een persoon met ASS heeft een enorm oog voor detail, maar slaagt er tegelijk niet in om die details samen te voegen tot een coherent geheel. Hij heeft het moeilijk om losse elementen in hun betekenisvolle samenhang te zien: hij ziet heel nauwkeurig alle bomen, maar niet het bos (= contextblindheid). Hij heeft dan ook bijkomende begeleiding nodig om dagelijks tot vlot sociaal contact te komen en begrijpend om te gaan met zijn omgeving. Die omgeving biedt best een zo geïntegreerd mogelijk scenario aan.